Deel 2 - De strijd om het land is begonnen

De bevolking op Zuid-Beveland nam vanaf de 10e eeuw gestaag toe waardoor ook de behoefte aan goede landbouwgrond toenam. De akkers rond de houten woningen van de veeboeren werden voorzien van sloten en aardenwallen. Dit zijn kleine lage dijkjes langs een of meerdere akkers.

Met de uitbreiding van de akkers op de hoger gelegen en zoete kreekruggen (zie hierna wat dat zijn) werden de grondwallen rond de nederzettingen langzamerhand aaneengesloten. Door samenwerking tussen lokale bestuurders, ambachtsheren en de graaf van Holland en Zeeland werden de grondwallen, de voorgangers van onze dijken, op elkaar aangesloten.

Omstreeks de 12e eeuw werd zodoende een groot deel van het eiland Zuid-Beveland omsloten door een ringdijk. Het zeewater werd daardoor buitengesloten van het land waardoor de landbouwakkers konden worden uit gebreid naar de lagere gelegen gronden. Door het uitblijven van de zeeinvloed binnen de polders werd hier geen slib meer op het land afgezet waardoor het landniveau niet meer hoger werd.

Afbeelding 1 12e eeuwse ringdijk bij Schore, volgens Dekker 1970.

Het overtollig binnenwater in de polder werd door het graven van sloten en aanbrengen van sluizen in de “zeedijken” afgevoerd. Door de “snelle” afvoer van het regenwater via sloten en sluizen ging de kleigrond met daaronder het veen inklinken. Het landniveau kwam hierdoor steeds lager te liggen.

Het land buiten de dijken groeide wel aan omdat hier nog slibafzettingen door het zeewater kon plaatsvinden. Het duurde niet lang voordat ook dit vruchtbare land (schor) met dijken werd omringd. Er werden voortdurend nieuwe polders aangelegd waardoor het oppervlak van het bedijkte land in de loop van de tijd toenam.

In de bodem bevond zich nog het veen dat eertijds was overstroomd. Het veen diende als brandstof in het verder vrijwel boomloze land van Zeeland. Daarnaast werd het vooral geëxploiteerd voor de groeiende zoutindustrie. Uit het zoute veen werd het zout gedestilleerd. Zout was geld waard (de woorden “soldij” en “salaris” zijn er van afgeleid). Zout is zeer geschikt voor het conserveren van voedsel.

Het veen werd uit de bodem weggehaald (moerneren genoemd), waardoor het land veel lager kwam te liggen. De vruchtbare klei werd met het moerneren volledig vergraven, waardoor het land niet meer geschikt was voor de landbouw, zoals de Yerseke- en Kapelsemoer en het weidegebied aan de Maartenbroersweg.

Lange tijd werd ook het veen uit de bodem, vanonder het schor, buiten de zeedijken gehaald. Dat bracht het zeewater dichter naar de dijken toe, die daarmee in gevaar kwamen.

Het land rondom Schore werd eveneens gemoerneerd. Hiermee gingen niet alleen vruchtbare landbouwgronden verloren maar kwam ook het grondniveau mogelijk 1 meter lager te liggen. Op sommige plaatsen in Schore ligt dit nu 1,2 meter onder NAP. Daardoor is het gevaar van overstroming van Schore sterk toegenomen. De dijken moesten aan de ontstane situatie van inklinkende bodem telkens worden aangepast en koste dit voortdurende onderhoud veel inspanning en geld. In de 15e en 16e eeuw waren de lasten voor de bewoners zo hoog dat de dijken werden verwaarloost. Recente dijkverzwaringswerken en toekomstige dijkversterkingswerken zijn nog het gevolg van de moernering in het verleden, waarbij het landniveau onder het zeeniveau kwam te liggen. Onder de huidige zeedijk bij Schore bevind zich nog altijd het veenpakket dat onder het gewicht van de dijk is samengeperst.

Bij graafwerkzaamheden in 2016 in de omgeving van de Steenweg en de Eeweg, waren de moerneringsputten duidelijk in de bodem waar te nemen.

Afbeelding 2 moernering Steenweg.

Door het toenemen van de bedijkingen tijdens de Middeleeuwen was er steeds minder ruimte voor het zeewater in de grote getijdengeulen zoals de Honte (Westerschelde) en (Ooster-)Schelde. De vloedhoogte nam daardoor steeds verder toe terwijl de geulen hierin zich verdiepte door uitschuren van de bodem. Daar kwam nog bij dat de dijken, die waren aangelegd om de polders en haar bewoners te beschermen tegen overstromingen, tijdens de 15e en 16e eeuw slecht werden onderhouden. Dijken zakten in en dijkbekleding werd niet tijdig hersteld. Als gevolg van dit alles werd Zeeland vanaf de 14e eeuw geteisterd door grote overstromingen.

Ook in oost Zuid-Beveland was de situatie in de 16e eeuw niet best. De zeedijk kon het watergeweld tijdens de storm van 1530 niet keren. Dit was waarschijnlijk de enige keer dat ook Schore is ondergelopen als gevolg van een dijkbreuk tijdens een storm. Met heel west en oost Zuid-Beveland stond ook Schore in die tijd onder water.

De kreekrug van Schore

We gaan in gedachten even terug naar de tijd dat er nog geen dijken waren aangelegd. Het land staat dan nog onder invloed van de zee. Dit land lag voor een groot deel boven de normale vloedhoogte en werd doorkruist door vele getijdengeulen, ook wel kreken genoemd,  zoals we die nu nog kunnen zien in het land van Saaftinge.

Afbeelding 3 van geul in schorren.

Een kreekrug is een door het zeewater met zand opgevulde getijdengeul. Kreekruggen zijn dus ontstaan in het oorspronkelijk onbedijkte schorlandschap. Het veen in de bodem is hier door het zeewater weggeschuurd. De opvulling van de geul met zand klinkt na de aanleg van de dijken maar weinig in. Terwijl de kleigrond ernaast door de ontwatering veel is ingeklonken. Dit werd dan nog eens versterkt doordat op veel plaatsen het veen (onder de klei) uit de bodem is weggehaald, zoals we hierboven hebben gezien. De geulopvullingen steken daardoor als ruggen boven de kleigronden uit. Deze worden daarom kreekruggen genoemd.

Bodemkundige Van der Meer heeft bij de bodemkartering (beschrijven van de bodemsamenstelling) begin jaren 50 van de vorige eeuw westelijk van Schore een opgeslibde brede kreek vastgesteld. Deze zou na de bedijking zijn gevormd als gevolg van een dijkbreuk. De huidige Eeweg loopt door de bedding van deze opgevulde kreek.

Bij het graven van een nieuwe watergang in 2016 is gebleken dat de opgevulde kreek onder de Eeweg, die aan weerszijden een kreekrug heeft gevormd, een oudere geulopvulling is uit de tijd dat er nog geen dijken waren, dus van voor het jaar 1000.

Aangezien de Westerschelde zich pas tussen 800 en 1000 zich ter hoogte van Schore heeft ontwikkeld, mogen we ervan uitgaan dat de geulopvulling hiermee samenhangt.

De toenemende invloed van de Westerschelde en de zandige bodem van de geulopvulling (die gemakkelijk wegspoelde), kan later een dijkbreuk tot gevolg hebben gehad. Het is dan ook niet uitgesloten dat op de plaats van de kreekopvulling ooit een dijkbreuk heeft plaatsgevonden. In 1530 is er in de omgeving van Schore een dijkbreuk geweest, maar de precieze locatie is onbekend.

Afbeelding 4 Kreekrug langs Eeweg.

De kreekruggen langs de Eeweg zijn nog in het landschap te herkennen. Langs de Frisostraat en Eeweg is nog de geringe verhoging van de kreekrug te zien. Ook langs de Steenweg en Maartenbroersweg in de omgeving van de boerderij Westdorp zijn de hoogteverschillen nog goed te zien. Ten zuiden van de Maartenbroersweg zien we ook wat oude holle-bollige weilanden. Deze zijn ontstaan door het weggraven van het veen vanonder de kleilaag.

Vanaf de 10e eeuw ontstonden woningconcentraties op de kreekruggen. Dat was de eerste aanzet tot de vorming van de dorpen zoals we ze nu nog kennen. De woningen werden op huisterpen (woonhoogten) gebouwd. Door het toenemende aantal woningen groeiden de huisterpen aaneen tot een dorpsterp, zoals de dorpskern van Schore. De meeste dorpen ontstonden op kruisingen van doorgaande wegen, wat met Schore ook het geval was. Wegen die op de kreekruggen liepen waren van levensbelang voor communicatie en transport.

Zoals we hierboven zagen ligt er onder het dorp Schore een kreekrug. Nog voordat er dijken waren aangelegd, is hierop de eerste bewoning ontstaan. Niet alleen omdat een kreekrug hoger lag maar ook vanwege de zandige grond. Deze zandige grond was vruchtbaar en makkelijk te bewerken. Bovendien eerder zoet dan de lager gelegen kleigrond. En van levensbelang was de beschikbaarheid van zoetwater in de kreekrug.

Als we naar het centrum van Schore kijken zien we dat het Nieuwe Kerkplein hoger ligt dat de rest van de omgeving. De kreekrug waarop het dorp is aangelegd was niet zo hoog dat die boven de hoogste vloeden uit stak. De eerste bewoners hebben daarom op de kreekrug extra verhogingen aangebracht waarop ze hun woning bouwden, zodat ze droog konden wonen ook bij stormvloed. Deze woonhoogten groeiden, door toenemend aantal woningen binnen de nederzetting, door het deponeren van afval, mest en slik aan elkaar vast waardoor de gehele kern van Schore tot een verhoging (dorpsterp) werd gevormd.

Onder enkele boerderijen zijn de afzonderlijke woonhoogte, uit de tijd van voor of kort na de aanleg van de eerste dijken, nog te zien.

Vrij liggende woonhoogten of huisterpen zijn nog te vinden onder de boerderijen Westdorp, Mariahoeve en Rust na Onrust en langs de Molenweg.

Afbeelding 5 oplopende straten Schore.

Wordt vervolgd...

Het volgende deel gaat over de dijken rond Schore en het onderhoud hieraan.

©2020, Schore

  • White Facebook Icon
  • White Twitter Icon
  • White Instagram Icon