Deel 4 - De heerlijkheid Schore

We hebben de vorige keer gezien dat er ringdijken werden aangelegd rond de toenmalige eilanden, zoals Zuid-Beveland. De zeedijk langs de huidige Westerschelde bij Schore is mogelijk onderdeel van die ringdijk. Voor het aanleggen van de interlokale ringdijken was samenwerking nodig van grondeigenaren, grondgebruikers en lokale bestuurders. Er moet dus een hogere macht zijn geweest die dit kon aansturen en organiseren, zoals de Graaf van Vlaanderen en de Graaf van Holland. Hierbij moeten we niet denken aan werken zoals de Deltawerken vorige eeuw. Maar veel meer aan een proces dat vele tientallen jaren, misschien wel meer dan 100 jaar, heeft geduurd om de ringdijk rond het eiland uiteindelijk gesloten te krijgen. Er moeten dus lokale en regionale bestuurders zijn geweest die belang hadden bij het aanleggen van de interlokale dijken, die met regels, plichten en toezicht een gemeenschap konden leiden. De lokale leider, bestuurder, was de ambachtsheer in dienst van de Graaf. De ambachtsheer was met een bestuursgebied beleende (adellijke) persoon. Dit van de Graaf in leen gehouden lokale bestuursgebied werd ambacht genoemd.

Heerlijkheid betekent: Een poging tot een vereenvoudigde beschrijving van de middeleeuwse bestuurseenheid van het ambacht op Zuid-Beveland. Een ambachtsheerlijkheid komt voort uit het middeleeuwse leenstelsel (feodale stelsel) dat vanaf ca. 500 tot ca. 1500 heeft gefunctioneerd. Een koninkrijk was vanaf de 8e á 9e eeuw onderverdeeld in grote en kleine graafschappen met aan het hoofd een Graaf (leenman). Deze was een vazal (vertrouweling) van de koning (leenheer) met daaraan verbonden rechten en plichten. Een graafschap werd vanaf de 10 á 11e eeuw verdeeld in kleinere bestuurseenheden, die ambachten werden genoemd. Aan het hoofd hiervan stond een ambachtsheer, meestal afkomstig uit een hoge adellijke familie. De ambachtsheer kreeg het ambacht in leen als vazal van de Graaf met daaraan verbonden rechten en plichten. Een ambachtsgoed op Zuid-Beveland werd bij overlijden van de ambachtsheer verdeeld over zijn zonen. Daardoor kwam er een ambacht splitsing tot stand. Om het lokaal bestuur krachtig te houden werd in de 12e eeuw het Vierschaarambacht ingesteld als bestuurseenheid dat meerdere ambachten omvatte. Het bestuur werd gevormd door de ambachtsheren die een college van Schout (toezichthouder) en Schepen (bestuursleden) vormden. Dit was een rechtsprekend college met lokale juridische bevoegdheden. De begrenzing van een Vierschaarambacht werd gevormd door de kerkelijke parochiegrens. Tijdens de splitsing van de parochies dreigde de lokale bestuurseenheid weer zijn bestuurskracht te verliezen. Tussen 1795 en 1806 werden nieuwe bestuurlijke eenheden ingesteld naar Frans voorbeeld, bestaande uit provincies en gemeenten, met vergaande administratieve taken en bevoegdheden.

Hoe zag de bestuurlijke hiërarchie er tijdens de Late Middeleeuwen uit?

De adellijke stand was de groep die gezag kon uitoefenen op de burgers (onedele ingezetenen). Uit de adellijke stand werden vazallen (getrouwen) van de Graaf aangesteld om lokale leefregels (keuren) te stellen en deze te handhaven. Dit recht kregen ze van de Graaf in leen. Zij kregen voor deze dienst aan de Graaf als beloning grond in leen en konden heffingen (belastingen) innen op lokale voorzieningen. Op Zuid-Beveland kennen we adellijke families die ambachten hadden verworven, zoals de heren Van Maalstede in Kapelle, de heren Van Borssele op het eiland Borssele, de heren De Vrieze van Oostende op Baarland-Hoedekenskerke, de heren Van Schenge in het westen van Zuid-Beveland, de heren Van Kruiningen oostelijk van Schore en de heren van Lodijke bij Reimerswaal, etc.

We hebben hiervoor al gezien dat het zeer aannemelijk is dat de eerste ringdijk in de omgeving van Schore is gerealiseerd onder het bestuurlijk bewind van de ambachtsheer Van Maalstede. Hij voerde tijdens de twaalfde eeuw vanuit Kapelle het gezag over het middendeel (en mogelijk ook over het oostelijk deel) van Zuid-Beveland.

Afbeelding 1 Heerlijkheid van Schore en Vlake, Hattinga 1750.

afb1_Heerlijkheid_Schore_en_Vlake.jpg

Ambacht en waterstaat

Het was zowel in het belang van het grafelijk gezag als van het lokale gezag om minder rendabele schorrenweidegronden in cultuur te brengen. Hierdoor werd het gezagsgebied economisch versterkt. Deze gezamenlijke belangen en de haalbaarheid hiervan zullen direct aanleiding zijn geweest om bestaande lokale dijken met elkaar te verbinden tot regionale doorgaande ringdijken rond de eilanden. Ook de aanleg van nieuwe polders op buitendijkse grond werd hierdoor gestimuleerd. Hierbij zullen de locaties met een voldoende bevolkingsdichtheid voor het leveren van heervaart (dienstverlening) en een grote economische potentie, prioriteit hebben verkregen. Maar ook het gezag van de lokale ambachtsheer zal zeker hierop van invloed zijn geweest. De omschakeling van veeteelt naar akkerbouw (omstreeks de 12e eeuw) zal hieraan hebben bijgedragen.

Rond de 12e eeuw zijn de waterringen (voorlopers van de waterschappen) georganiseerd over de parochie- en ambachtsgrenzen heen volgens het gemeenschapsprincipe; met colleges van schepen(bestuurders) en schout (toezichthouder) waardoor een overkoepelend toezicht werd gevormd over afwateringen en wegen en later ook over de dijken. Vanaf die tijd was er overkoepelend “onafhankelijke” bestuur en toezicht op waterstaatkundige werken (afwateringen en dijken) dat het bestuurlijke gebied van het ambacht te boven ging. In de beginperiode probeerden ambachtsheren hierop invloed uit te oefenen door zelf zitting te nemen in het wateringsbestuur.

Het hoofd van het waterschapsbestuurscollege werd de dijkgraaf. Deze functie werd op enig moment verpacht aan de hoogst bieder. Adellijke en rijke ambachtsheren kochten deze pachtenrechten op, om hiervan persoonlijk te profiteren. Ze inden de boetes die werden opgelegd aan grondeigenaren. Dat leidde tot verwaarlozing van vele zeedijken, met grote overstromingsrampen tot gevolg.

Door de armoede waaronder de bevolking van Schore gebukt ging vanaf de 14e eeuw en de onmachtige kleine ambachten, was het bestuur binnen de Heerlijkheid Schore van geringe invloed. Onderhoud aan wegen, waterlopen en dijken was al die tijd problematisch. Pas als de Watering Brede Watering Bewesten Yerseke zich vanaf de 16e eeuw uitdrukkelijk met de zeedijk van Schore gaat bemoeien komt het regulier onderhoud van de grond. De lokale ambachtsheren van Schore staan hierbij volledig buiten spel.

 

Het Ambacht Schore

Schore met Vlake vormden op een gegeven moment, door gebrek gedreven, samen tot 1795 een ambachtsheerlijkheid (bestuurseenheid). Het grondgebied liep vanaf de haven van Biezelinge tot ver in de Yersekemoer. Noordelijk hiervan lag de ambachtsheerlijkheid van Kapelle en Yerseke. Aan de zuidzijde werd de heerlijkheid Vlake en Schore begrenst door de Honte (nu Westerschelde). Aan de oostgrens lag de heerlijkheid van Kruiningen. Noordelijk van het dorp Vlake lagen de moeren (natte graslanden) van Yerseke.

Hoewel Schore vanaf de 12e eeuw bestuurd werd door een door de Graaf aangestelde edele ambachtsheer, werd deze functie, waaraan bijzondere rechten (b.v. innen van grondbelasting, etc.) waren verbonden, al spoedig overgenomen door hoge edelen of rijke heren. Zij kochten ambachten op die geen erfopvolgers hadden of in financiële nood verkeerden. Zo kende de Heerlijkheid Schore in de loop van de eeuwen vele ambachtsheren en verschillende ambachtelijke leengoederen. Baron van Wassenaar kon zich in de 18e eeuw nog ambachtsheer van Schore en Vlake noemen. In 1747 worden binnen de heerlijkheid Schore en Vlake slechts 52 huizen geteld. De dorpen Schore en Vlake hadden naar verhouding grote kerken, maar hadden naar middeleeuws gebruik tot 1795 maar één gezamenlijk “dorpsbestuur”, gevormd door schout (later burgemeester) en schepen (later wethouders).

 

Afbeelding 2 Heerlijkheden Schore en Vlake, bron: C. Dekker 1971

De omgeving van Schore zal pas omstreeks de 13e eeuw in cultuur zijn gebracht. De grond waarover toen geen belasting werd betaald was hier oorspronkelijk gering, ongeveer 9 á 12 % van het totaal oppervlak. Dat was land dat niet gebruikt kon worden omdat het te nat was. We hebben gezien (in de vorige aflevering) dat door inklinken van de grond en slechte afwatering de bruikbare grond verder afnam.

De hoogte van de grondbelasting, vastgesteld op basis van het ingemeten cultuurgrond oppervlak, gold voor de afdracht van de ambachtsheer aan de Graaf. Maar dit hoefde niet te gelden voor de afdracht van de grondbezitters aan de ambachtsheer. Hiermee ontving de ambachtsheer meer belastinggeld dan hij afdroeg aan de Graaf. Hiermee regelden de voornaamste ambachtsheren hun eigen inkomen naast dat wat ze inden door het gunnen van rechten zoals windrecht voor molens, jachtrecht, het recht op zoutwinning, het visrecht, het veerrecht, etc. De ambachten van Schore raakten door het uitblijven van voldoende inkomsten aan de bedelstaf. Vele ambachtsporties werden in armoede van de hand gedaan.

Over het eigendom of gebruik van de in cultuur gebrachte grond moest dus grondbelasting (zogenoemde schot) worden afgedragen aan de Graaf. In 1439 wordt hieromtrent vermeld dat Schore een zogenoemde "verloren" ambacht was; er werd geen grondbelasting betaald vanwege de grote omvang van de onbruikbare grond. Hier zal buiten de kreekruggen veel wateroverlast zijn geweest waardoor deze grond niets opbracht. De oorzaak hiervan was de slechte afwatering van de laaggelegen gronden.

 

Wie waren de lokale bestuurders, ambachtsheren van Schore?

Ook Schore had ambachtsheren die hun ambacht, dat ze in leen hadden van de Graaf, bestuurden. Na de 12e eeuw trad er een verbrokkeling van de ambachten op als gevolg van overerving en verkoop van ambachtsrechten. Kleine ambachtsheren bezaten daardoor soms niet meer dan hun eigen boerderij. Vanaf de 12e  en 13e eeuw werden daarom Vierschaar-ambachten ingericht. Dat zijn rechtsgebieden die meerdere ambachten bevatten om het gezag te kunnen uitoefenen. De grenzen van de Vierschaar rechtsgebieden vielen samen met de (kerkelijke-)parochies die  vrijwel gelijktijdig werden gesticht. Langs deze weg ontstond de (Ambachts-)Heerlijkheid Schore die tot de bestuurshervorming van 1795-1806 heeft bestaan.

Het grondgebied van Vlake en Schore was oorspronkelijk verdeeld onder de ambachten Kapelle (Van Maalstede) en Kruiningen (Van Kruiningen).

Uit oude geschriften kennen we 1 ambachtsheer uit Schore; de heer Dodijn, waarvan sprake is in 1252 wanneer hij en zijn vrouw goederen aan de kloosterboerderij van St. Bernhard, gelegen tussen de Steenweg en de Eeweg (zie de volgende aflevering) schenken. In 1270 is er sprake van een dochter Cecilia van Schore. Kennelijk waren er in de 13e eeuw al kleine ambachtsporties (-gebied) verkocht. Vooral de hoge adel, met veel geld, waren in staat ambachten op te kopen om uit de hieraan gekoppelde rechten inkomsten te verwerven.

In 1331 behoorde het overgrote deel van ambachtporties van Schore aan de hoge adel. De lage adel kreeg hier geen voet aan de grond. Wemeldinge had bijvoorbeeld, na vele ambacht splitsingen, 30 ambachten die voornamelijk tot de lage adel behoorden. In 1515 bezat de hoge adel in Schore 1876 gemeten (ca. 750 hectare) in 10 ambachten. De lage adel bezat slechts 4 gemeten (ca. 1,6 ha) in 4 ambachten.

Afbeelding 3 Gemeente Schore en Vlake rond 1860.

afb3_Schore_ca_1860.jpg

In 1421 werd door ambachtsheer Jan van Oostende, wonende bij Hoedekenskerke, het Schoutambacht van Schore aan Jan van Rijn gegeven. Deze kreeg het bestuurlijke ambt over Schore waarover hij is aangesteld (soort burgemeester). Hij was het hoofd van het vierschaarambacht, een rechtsprekend en toezichthoudend college binnen één of meerdere parochies. Een belangrijke taak van het college was het toezicht op de dijken, wegen en de waterlopen (sloten). De boeren (pachters van land) en grondeigenaren waren verplicht hieraan regelmatig het onderhoud te doen, maar de controle hierop en het oordeel kwam van de Vierschaar. Deze hielden rechtszitting onder de kerktoren van Schore, bij het ontbreken van een geschikt ambachtshuis, om recht te spreken en de boetes te innen.

 

In 1439 en 1515 werden de afdracht van de grondlasten van Schore en Vlake samengevoegd, omdat er geen grootgrond bezittende ambachtsheer was die kon optreden als hoofd van de totale ambachtsheerlijkheid. Schore en Vlake misten in die tijd een machtige ambachtsheer. De ambachten waren erg versnipperd als gevolg van de eeuwenlange erfopvolging. Alleen zeer rijke mensen konden de rechten van grote ambachtsgebieden nog kopen en in bezit houden.

 

Vanaf de 17e eeuw werden er steeds meer kleine ambachtsgebiedjes behorende tot het bestuursgebied (heerlijkheid) van Schore verkocht aan buitenstaanders. We zien ook dat er ambachtrechten worden verkocht, zoals visrecht en jachtrecht, die eerder tot een ambachtportie (-gebied) behoorden.

 

Eerder zagen we hoe in Schore het ambacht als bestuursgebied tot stand kwam en hoe het pas in de 19e eeuw volledig verdween. Schore speelde in de ambachtsrechten (behorende tot een ambacht) geen grote rol. Dat kwam waarschijnlijk door de geringe bevolking en zeker door de slechte landbouwgronden die door de gebrekkige afwateringen weinig konden opbrengen. De bevolking van Schore werd hierdoor tot armoede gedreven. Doordat het ambachtsrecht in Schore niet veel inhield, zijn de ambachtsheren vrij onbekend gebleven. Uit de vorming van het Vierschaarambacht kwam de Heerlijkheid Schore voort, dat later de gemeente Schore werd.

 

Rond 1850 was er nog een rest van een vluchtberg (vlietberg of motte) te zien, gelegen tussen de Langstraat en de Haaimeet (zie afb.2). Deze behoorde toe aan één van de ambachtsheren van Schore. Zeer waarschijnlijk lag deze in de directe omgeving van het huis van de ambachtsheer. We komen hier later nog op terug.

Wordt vervolgd...

In de volgende aflevering zullen we ingaan op het St. Bernhard klooster te Schore.

afb2_Schore_vr_1530_Dekker.jpg